Tagarchief: geslachtschromosomen

X- en Y-chromosomen en evolutie

Om een specifiek evolutionair proces te verklaren moet sprake zijn van een gedegen genetische rugdekking. In de Seksuele en Sociale Intelligentie Hypothese zijn dat de geslachtschromosomen Y (mannelijk) en X (vrouwelijk). Mannen zijn XY in genotype, en vrouwen hebben een dubbele X. De geslachtschromosomen zijn van invloed op het uiterlijk van de geslachtsorganen (fenotype). X en Y coderen voor geslachtshormonen als testosteron en oestrogeen en zijn van invloed op de seksuele beleving en het orgasme. De geslachtshormonen hebben aldus ook effecten in het brein; de neuropsychologische effecten.

Khaitovich, P. cs ‘Paralell patterns of evolution in the genomes and transcriptomes of Humans and Chimpanzees’, Science, vol. 309, september 2005, heeft onderzoek gedaan naar genexpressie in chimpansees en mensen. Zij concluderen dat de patronen van genexpressie en gensequenties in beide soorten opvallend vergelijkbaar zijn. Dit geeft ruimte voor de conclusie dat Pan en Homo uit eenzelfde gemeenschappelijke voorouder zijn ontstaan. Vooral omdat het genexpressie en gensequenties betreft voor organen als lever, nier, hart en brein. Zij stellen zelfs dat het brein met name de minste verschillen in genexpressie en gensequentie laat zien.

Ook blijkt dat genen in Pan en Homo die effecten hebben in het gehele lichaam-brein systeem minder van elkaar verschillen dan genen die specifieke effecten hebben in beperkte weefsels. Met name het X-chromosoom behoort tot de laatste categorie. Khaitovich cs concluderen daaruit dat in geval het X-chromosoom sprake is van typische positieve selectie op zowel het niveau ven genexpressie als van gensequentie. Dit is in lijn met de gedachtegang binnen de SSIH.

Opvallend is verder dat de genen die actief zijn in, en effecten hebben op het brein, in Homo sneller en meer veranderd zijn dan in Pan. Het is deze samenhang, de anatomie van geslachtsorganen (via de geslachtschromosomen) en de evolutionaire effecten daarvan in en op het brein, die de Seksuele en Sociale Intelligentie Hypothese verklaart.