Variatie in seksuele organen

Uitgangspunt onder de SSIH is genetische variatie en diversiteit in met name de vrouwelijke geslachtsorganen. Dahl, J. ‘Size and Form of the Penis in Orang-Utans’, Journal of mammalogy, vol. 49, januari 1994 heeft penissen bestudeerd van Oerang-Oetans en bevestigt mijn uitgangspunt dat geslachtsorganen in primaten zeer divers zijn. Vooral waar het glansachtige structuren betreft; die zijn de weefsels waar de orgastic power zit.

Evolutie voltrekt zich langs verschillen tussen individuen. Hoe meer variatie hoe hoger de veranderkracht van de evolutie. Dit is een oud axioma dat terugvoert tot Darwin en zijn ‘Origin of species’. Individuen moeten zich aanpassen aan veranderende omstandigheden om te kunnen overleven en zich voort te planten, zodat de soort in stand blijft.

In geval van evolutie langs seksorganen is de evolutionaire voorwaarde dat de voortplantingsorganen goed blijven functioneren, anders sterft de soort uit. Ulanowicz, R. ‘A third Window; Natural life beyond Newton and Darwin’, Templeton Foundation Press, 2009, duidt dit als het spanningsveld tussen behoud en verandering.

Dat de seksuele organen van vrouwelijke Pan (chimpansee) en Homo (mens) evolutionair zijn veranderd is een biologisch feit. Ze lijken zelfs nog nauwelijks op elkaar. Bij Pan ligt de clitoris in de vagina. Bij Homo is een typische anatomische differentiatie opgetreden; de clitoris ligt zelf buiten de huid tussen de schaamlippen en ver van de vagina verwijderd. Bovendien is de menselijke clitoris verbonden met inwendig glasnweefsel dat corpus cavernosum wordt genoemd, en niet langer anatomisch in verbinding staat met de eierstokken en de vagina.

De SSIH verklaart hoe deze verschillen evolutionair zijn ontstaan, en wat de lange termijn effecten van de evolutie in Pan en Homo zijn geweest.